Goedendag mensen. Zijn er überhaupt mensen die dit lezen? Vast niet. Hoe het ook zij, ik ben weer aan het schrijven. Dit komt door een writing prompt van Lisa, al heb ik geen flauw idee welke writing prompt dat ook al weer was. Dus ik schrijf weer. Dus ik post het hier. Enjoy.
1.
Het aanblik van het geheel, vanaf een afstandje, was fantastisch.
Een groot, stenen huis, omgeven door tuinen met fonteinen die al jaren niet meer werkten, en overwoekerd waren door rozenstruiken in alle tinten rood, roze en wit die je maar kon bedenken.
Het huis zelf was door haar betbetbetovergrootvader met eigen handen gebouwd. Het was gemaakt van warmrode bakstenen en aan weerszijden van de deur die zich in het midden bevond waren vier hoge ramen, omlijst door witte kozijnen en luiken.
Een groot, stenen huis, omgeven door tuinen met fonteinen die al jaren niet meer werkten, en overwoekerd waren door rozenstruiken in alle tinten rood, roze en wit die je maar kon bedenken.
Het huis zelf was door haar betbetbetovergrootvader met eigen handen gebouwd. Het was gemaakt van warmrode bakstenen en aan weerszijden van de deur die zich in het midden bevond waren vier hoge ramen, omlijst door witte kozijnen en luiken.
Het grind, merendeels overgroeid door mos, kraakte onder haar voeten, terwijl ze de oprijlaan betrad, haar rolkoffer achter zich aanslepend.
Ze kwam steeds dichter bij de rood geverfde deur, al was het rood nauwelijks meer te herkennen. De verf was afgebladderd en de deur was met klimop begroeid. De enige reden dat de deur rood was, was omdat ze het wist.
Ze wist het van de verhalen, de brieven, en misschien de enige foto van het erfgoed die ze in haar bezit had, een foto uit het begin van de jaren dertig, haar overgrootouders met haar destijds vijfjarige opa.
Ze kwam steeds dichter bij de rood geverfde deur, al was het rood nauwelijks meer te herkennen. De verf was afgebladderd en de deur was met klimop begroeid. De enige reden dat de deur rood was, was omdat ze het wist.
Ze wist het van de verhalen, de brieven, en misschien de enige foto van het erfgoed die ze in haar bezit had, een foto uit het begin van de jaren dertig, haar overgrootouders met haar destijds vijfjarige opa.
Onder luid gekraak, en na misschien wat overbodig gewelddadig geduw, gaf de deur eindelijk mee, en stapte ze de hal binnen.
Het was precies zoals ze verwacht had. Groot en licht. Alleen de hoeveelheden stof en spinnenwebben veranderde het plaatje in haar hoofd een beetje.
Ze sloot de deur achter zich en gooide de lading koffers en tassen van zich af, waar al haar bezittingen in zaten die ze in haar nieuwe leven nodig dacht te hebben. Haar nieuwe leven, dacht ze terwijl er een grijns rond haar mond vormde. Haar nieuwe leven in haar mooie huis in de heuvels bij …..
Het was precies zoals ze verwacht had. Groot en licht. Alleen de hoeveelheden stof en spinnenwebben veranderde het plaatje in haar hoofd een beetje.
Ze sloot de deur achter zich en gooide de lading koffers en tassen van zich af, waar al haar bezittingen in zaten die ze in haar nieuwe leven nodig dacht te hebben. Haar nieuwe leven, dacht ze terwijl er een grijns rond haar mond vormde. Haar nieuwe leven in haar mooie huis in de heuvels bij …..
Charlotte viste haar telefoon uit haar broekzak en zette het toestel aan. Het ding was nog geen minuut aan, of het rinkelde al weer. Drie voicemails. Zeven smsjes. Vijf gemiste oproepen. En nu nog een, dacht ze, terwijl ze haar vinger op het ‘weiger’ knopje legde.
Incoming message; Gina Hall calling.
Met een zucht nam ze haar telefoon op. “Charlo--”
“WAAR HANG JE IN GODSNAAM UIT”, schreeuwde Gina vanuit het oude vertrouwde London. Het leek alsof ze doorhad dat Charlotte in Frankrijk zat, want van het geschreeuw werd ze zo goed als doof.
“Wat bedoel je? Ik ben bij mijn ouders, in Liverpool. Dat heb ik je gezegd” antwoordde ze, een tevergeefse poging doend om de situatie te sussen.
Incoming message; Gina Hall calling.
Met een zucht nam ze haar telefoon op. “Charlo--”
“WAAR HANG JE IN GODSNAAM UIT”, schreeuwde Gina vanuit het oude vertrouwde London. Het leek alsof ze doorhad dat Charlotte in Frankrijk zat, want van het geschreeuw werd ze zo goed als doof.
“Wat bedoel je? Ik ben bij mijn ouders, in Liverpool. Dat heb ik je gezegd” antwoordde ze, een tevergeefse poging doend om de situatie te sussen.
“Oh Charlotte. Dat is absoluut onzin, en dat weet je. Je bent niet in London, niet in Liverpool – Je ouders belden mij, namelijk—Niemand weet waar je bent, en ik heb je ongeveer duizend keer gebeld. Waar hang je in godsnaam uit?”
Gina’s stem werd bozer en bozer. Dat was echt een ding van Gina. Als ze boos was kon ze uren blijven schreeuwen en tieren en als iemand haar onderbrak, ging ze alleen maar nog harder schreeuwen.
“Goed dan. Oké. Ik zit in Parijs.”
Het was dan wel niet waar, maar wel een geloofwaardige leugen. Althans, voor goedgelovige Gina wel. Ze was er niet zeker van of ze dit trucje lang kon vol houden.
Maar het was gewoon zo dat ze niet wilde dat iemand wist waar ze was. Als Gina wist dat ze helemaal niet in Parijs zat, maar in haar geërfde landgoed in Nyons, zou ze nog lang niet jarig zijn.
Haar vriendin en tevens collega (Nou ja, ex collega. Ze had tenslotte ontslag genomen) had het ook niet zo op reizen. Ze was nooit enthousiast als Charlotte het had over haar toekomst plannen, over hoe ze over de wereld zou reizen tot ze oud en gerimpeld was, met een rugzak vol spullen en een aantal lege schilderdoeken. Dan zei ze altijd “Waarom zou je? Je hebt een goed verdiende baan. Een leuk leven. Een appartement in hartje London. Wat zou je nog meer willen?”
Dan durfde ze nooit te zeggen dat ze haar leven verre van leuk vond. Dat het een dagelijkse sleur was. Ze stond op, werkte van negen tot vijf, ging naar huis, en dan herhaalde het riedeltje zich tot in de oneindigheid. Ja, daar was ze eigenlijk wel een beetje zat van.
“Wat doe je in vredensnaam in Parijs?”—Ze voelde de Je-Leven-Is-Toch-Goed-Hier-bui al hangen—“Waarom heb je het me niet verteld? Ik was graag meegegaan.” Gina’s stem werd bozer en bozer. Dat was echt een ding van Gina. Als ze boos was kon ze uren blijven schreeuwen en tieren en als iemand haar onderbrak, ging ze alleen maar nog harder schreeuwen.
“Goed dan. Oké. Ik zit in Parijs.”
Het was dan wel niet waar, maar wel een geloofwaardige leugen. Althans, voor goedgelovige Gina wel. Ze was er niet zeker van of ze dit trucje lang kon vol houden.
Maar het was gewoon zo dat ze niet wilde dat iemand wist waar ze was. Als Gina wist dat ze helemaal niet in Parijs zat, maar in haar geërfde landgoed in Nyons, zou ze nog lang niet jarig zijn.
Haar vriendin en tevens collega (Nou ja, ex collega. Ze had tenslotte ontslag genomen) had het ook niet zo op reizen. Ze was nooit enthousiast als Charlotte het had over haar toekomst plannen, over hoe ze over de wereld zou reizen tot ze oud en gerimpeld was, met een rugzak vol spullen en een aantal lege schilderdoeken. Dan zei ze altijd “Waarom zou je? Je hebt een goed verdiende baan. Een leuk leven. Een appartement in hartje London. Wat zou je nog meer willen?”
Dan durfde ze nooit te zeggen dat ze haar leven verre van leuk vond. Dat het een dagelijkse sleur was. Ze stond op, werkte van negen tot vijf, ging naar huis, en dan herhaalde het riedeltje zich tot in de oneindigheid. Ja, daar was ze eigenlijk wel een beetje zat van.
Opgelucht constateerde Charlotte dat Gina’s stem van boos, naar verbaasd veranderde. Nog zo’n ding over Gina. Ze was zo oppervlakkig. Kon zo snel van mening veranderen. Soms vroeg Charlotte zich wel eens af of ze überhaupt wel eens ergens een eigen mening over had, maar dat was te gemeen om te zeggen, dus het was slechts een van de vele gedachtenspinsels die haar hoofd nooit zouden verlaten.
“Geloof me, ik had het je wel willen vertellen, maar ik heb het zo druk de laatste tijd. Ik wilde even een poosje voor mezelf. Even weg. En ik bedacht me dat ik altijd naar Parijs had willen gaan, dus daar ben ik nu.”
“Maar je leven hier is toch prima?” Klonk Gina oprecht verbaasd vanuit de hoorn.
Ah. Daar had je het al. Charlotte schudde haar hoofd en grijnsde even. Ze kende Gina te goed.
“Dat is het nou precies. Mijn leven is prima.”
“Nou. Dat is juist de bedoeling toch?”
“Nee, mijn leven is prima. Maar meer ook niet. Ik wil ook wel eens dat mijn leven leuk is.”
Het bleef stil aan de andere kant. “Luister, Gina. Ik ben je later wel weer. Ik moet gaan. Dag!” Ze wachtte niet op een antwoord terug, en zette haar telefoon weer uit. Daar hoefde ze zich ook even niet meer druk over te maken.
Ik had 't al gelezen, maar goed. 't Pleurt echt goed jong.
BeantwoordenVerwijderen