“Frederick Beckett,” zei hij terwijl een kleine buiging maakte, nog steeds lichtelijk verbaasd. “Mag ik u en uw vreemde vervoersmiddel naar het dorp begeleiden?” vroeg hij. Charlotte, een beetje in de war, knikte, en ze ging hem voor op het zandpad.
“Komt u hier vaak, meneer?” Ze wist niet waarom, maar het leek haar ongepast deze man in pak te tutoyeren. “Het is hier prachtig. Ik weet zeker dat ik hier veel van mijn tijd door zal brengen. Het voelt alsof ik in een boek zit.” Zei ze, de natuur bewonderend en vanuit haar ooghoeken naar Beckett glurend.
Frederick knikte. “Het is zeker mooi. Nu in de lente, maar ook in de herfst, als de bladeren goud kleuren. – Mag ik u vragen, mevrouw, hoe lang u hier al bent?” hij wendde zijn blik van haar af en staarde naar zijn schoenen.
“Hmm,” grinnikte ze. “Ik ben hier pas net, ziet u. Ik ben gisteren aangekomen. Ik woon in het huis hier aan het eind van het zandpad, zoals ik al zei. Het is nogal verlaten en ik moet het nodig opknappen.”
Ratelderatel. Ze moest eens leren niet zo openlijk te praten met vreemdelingen. Dat had haar moeder altijd zo gezegd toen ze nog een klein Charlotje was. “Nooit praten met vreemdelingen. Ook al zeggen ze dat ze een bus vol met jonge katjes hebben, of ze je ijsjes aanbieden. Nooit mee gaan.”
Misschien mocht er een uitzondering gemaakt worden voor knappe vreemdelingen die er uitzagen alsof ze zo uit de 19e eeuw kwamen. Vast wel.
“Komt u hier vaak, meneer?” Ze wist niet waarom, maar het leek haar ongepast deze man in pak te tutoyeren. “Het is hier prachtig. Ik weet zeker dat ik hier veel van mijn tijd door zal brengen. Het voelt alsof ik in een boek zit.” Zei ze, de natuur bewonderend en vanuit haar ooghoeken naar Beckett glurend.
Frederick knikte. “Het is zeker mooi. Nu in de lente, maar ook in de herfst, als de bladeren goud kleuren. – Mag ik u vragen, mevrouw, hoe lang u hier al bent?” hij wendde zijn blik van haar af en staarde naar zijn schoenen.
“Hmm,” grinnikte ze. “Ik ben hier pas net, ziet u. Ik ben gisteren aangekomen. Ik woon in het huis hier aan het eind van het zandpad, zoals ik al zei. Het is nogal verlaten en ik moet het nodig opknappen.”
Ratelderatel. Ze moest eens leren niet zo openlijk te praten met vreemdelingen. Dat had haar moeder altijd zo gezegd toen ze nog een klein Charlotje was. “Nooit praten met vreemdelingen. Ook al zeggen ze dat ze een bus vol met jonge katjes hebben, of ze je ijsjes aanbieden. Nooit mee gaan.”
Misschien mocht er een uitzondering gemaakt worden voor knappe vreemdelingen die er uitzagen alsof ze zo uit de 19e eeuw kwamen. Vast wel.
“Het is zeker een mooi huis, maar dat het verlaten was meen ik mij niet te herinneren. Het heeft er altijd prachtig bijgelegen.”
Frederick nam het stuur van het rijwiel over en duwde het vooruit en Charlotte stopte, zich ongemakkelijk voelend, haar handen in de zakken van haar jas.
“Waar woonde u hiervoor, als ik zo vrij mag zijn te vragen? U komt duidelijk niet uit de omgeving. Ik durf te zeggen dat u zelfs geen Française bent.”
Charlotte schudde haar hoofd bij zijn vraag en vertelde dat ze uit London kwam. “Ah, London,” riep Frederick. “Fantastische stad, al ben ik meer een plattelandspersoon. Wat bracht u hier?” glimlachte hij.
“Meneer Beckett – Frederick, iemand vertelde mij ooit iets, een wijs iemand, iemand op wie ik veel kon vertrouwen,” ze slikte moeizaam bij de gedachte aan haar vader, “hij vertelde me dat als ik me een vreemdeling voelde in de stad van mijn leven, waar ik geboren was, opgegroeid—waar ik mijn hele leven had doorgebracht, dat het dan een teken was. Een teken was dat ik moest gaan. De wijde wereld in. En die tijd kwam voor mij.”
Frederick knikte begrijpend.
“Toevallig vond ik tegen die tijd de papieren terug waarin geschreven stond dat ik het huis hier bezat. Ik was nog jong toen mijn opa stierf. Het huis werd aan mijn vader nagelaten, ware het niet dat hij daar vlak voor ook al heen was gegaan.”
“Het spijt me dat te horen. Ik was ook jong toen mijn moeder stierf. Mijn vader leeft nog, maar hij heeft niet lang meer. Hij is oud. Hij schijnt te wachten met gaan tot ik een gezin heb gesticht aan wie hij fortuin kan nalaten.”
Charlotte vormde een flauw glimlachje en keek hem aan terwijl ze haar hand op zijn arm legde. “Het komt goed.”
Frederick nam het stuur van het rijwiel over en duwde het vooruit en Charlotte stopte, zich ongemakkelijk voelend, haar handen in de zakken van haar jas.
“Waar woonde u hiervoor, als ik zo vrij mag zijn te vragen? U komt duidelijk niet uit de omgeving. Ik durf te zeggen dat u zelfs geen Française bent.”
Charlotte schudde haar hoofd bij zijn vraag en vertelde dat ze uit London kwam. “Ah, London,” riep Frederick. “Fantastische stad, al ben ik meer een plattelandspersoon. Wat bracht u hier?” glimlachte hij.
“Meneer Beckett – Frederick, iemand vertelde mij ooit iets, een wijs iemand, iemand op wie ik veel kon vertrouwen,” ze slikte moeizaam bij de gedachte aan haar vader, “hij vertelde me dat als ik me een vreemdeling voelde in de stad van mijn leven, waar ik geboren was, opgegroeid—waar ik mijn hele leven had doorgebracht, dat het dan een teken was. Een teken was dat ik moest gaan. De wijde wereld in. En die tijd kwam voor mij.”
Frederick knikte begrijpend.
“Toevallig vond ik tegen die tijd de papieren terug waarin geschreven stond dat ik het huis hier bezat. Ik was nog jong toen mijn opa stierf. Het huis werd aan mijn vader nagelaten, ware het niet dat hij daar vlak voor ook al heen was gegaan.”
“Het spijt me dat te horen. Ik was ook jong toen mijn moeder stierf. Mijn vader leeft nog, maar hij heeft niet lang meer. Hij is oud. Hij schijnt te wachten met gaan tot ik een gezin heb gesticht aan wie hij fortuin kan nalaten.”
Charlotte vormde een flauw glimlachje en keek hem aan terwijl ze haar hand op zijn arm legde. “Het komt goed.”
Geen opmerkingen:
Een reactie posten