AANGEPASTE VERSIE.
4
Charlotte keek voldaan om zich heen. Het bos waar ze doorheen fietste was fantastisch. De kleuren, de geluiden en de geuren prikkelden haar zintuigen en het dreigende gevoel van enkele momenten daarvoor verdween als sneeuw voor de zon.
De toppen van de grote bomen die er al eeuwen stonden, aan beide kanten van het mulle zandpad, waren in elkaar verstrengeld en door de lente-groene blaadjes kwam er slechts een klein scheutje zonlicht het bos in. Ze had het gevoel dat ze verloren was in de tijd. Ze fietste over dit paadje maar er was niets dat er op duidde dat ze hier was, hier en nu, in 2011. Het was een onaangeraakt bos. Het was niet gemaakt, het was zo geworden. De tijd had het hobbelige kronkelpad tussen de bomen door gevormd door de generaties die er hun tijd besteedden.
Het was een fijne gedachte, om haar tijd mee door te brengen. Fantasieën kwamen spontaan in haar op over de pasgehuwden die hier dolgelukkig in hun koets door hadden gereden. De kinderen die er ooit verstoppertje hadden gespeeld op hete zomerdagen, en de rovers die zich diep in de nacht schuilhielden tussen de bomen.
De toppen van de grote bomen die er al eeuwen stonden, aan beide kanten van het mulle zandpad, waren in elkaar verstrengeld en door de lente-groene blaadjes kwam er slechts een klein scheutje zonlicht het bos in. Ze had het gevoel dat ze verloren was in de tijd. Ze fietste over dit paadje maar er was niets dat er op duidde dat ze hier was, hier en nu, in 2011. Het was een onaangeraakt bos. Het was niet gemaakt, het was zo geworden. De tijd had het hobbelige kronkelpad tussen de bomen door gevormd door de generaties die er hun tijd besteedden.
Het was een fijne gedachte, om haar tijd mee door te brengen. Fantasieën kwamen spontaan in haar op over de pasgehuwden die hier dolgelukkig in hun koets door hadden gereden. De kinderen die er ooit verstoppertje hadden gespeeld op hete zomerdagen, en de rovers die zich diep in de nacht schuilhielden tussen de bomen.
Ze schrok op uit haar gedachten door de zon, die plotseling was verdwenen, en al was die er daarvoor nauwelijks, de plotselinge afwezigheid maakte het een stuk kouder. Een enkele seconde daarna viel er een regendruppel op haar hoofd. En nog een. Het werd een stuk donkerder in het bos door de wolken die zich in de lucht opstapelden en de druppel vielen steeds harder en regelmatiger neer op haar lichaam.
Kut. Had zij weer.
Het rommelde wat in de lucht, alsof er onweer aankwam. “Verdomme,” mompelde Charlotte terwijl ze haar haar, dat al nat werd door de regen, uit haar gezicht streek en flink doortrapte. Plots leek het alsof de hemel openbarstte. Haar kleren, haar haar, ze was volledig doorweekt. Een verzopen katje. Op een fiets. De donderslag die de aarde leek te doen trillen maakte haar aan het schrikken en ze begon spontaan te huilen.
Ze had geen flauw idee waar ze heen moest, maar ze was middenin een bos. Vol met bomen, die bij de eerste de beste inslag van de bliksem geraakt zouden worden. Oh, had ze maar aandacht besteed aan dat onheilspellende gevoel. Was ze maar nooit zomaar weggegaan. Was ze maar gewoon gebleven.
Haar evenwicht liet haar in de steek en ze viel met fiets en al om op het zandpad. “Au, shit. Help!” gilde ze, maar natuurlijk kon niemand haar horen met dit vreselijke weer.
De toppen van de bomen waaiden dreigend en gevaarlijk heen en weer en de eerste bliksemschicht stortte met een felle flits op aarde neer. Charlotte bracht zichzelf en de fiets vloekend overeind en liep met het rijwiel aan haar hand haastig verder. Ze moest onderdak zoeken.
“Niet negatief denken, Charlotte. Er is heus wel ergens een klein huisje hier, een klein schuurtje. Er is wel onderdak.” Vertelde ze zichzelf. Ze geloofde haar eigen woorden niet en keek angstig om haar heen. Niets. Ze stond stil en liet haar hand in haar jaszak glijden, op de tast naar haar telefoon, maar kon hem niet vinden. Ze ging de afgelopen ochtend bij langs. Wakker worden. Alle spullen nog in de hal. Jas aan. Telefoon nog op de tafel. Ze vloekte en verdoemde zichzelf, terwijl haar tranen zich vermengden met de regen en een keiharde donderslag haar weer bij haar zinnen bracht. “Onderdak, onderdak.” Dacht ze. “Ik moet onderdak vinden”
Weer een flits. De donder en bliksem volgden elkaar steeds sneller op en de regen leek op zijn hoogtepunt. Ze was tot op het bot doorweekt en bevroren. Huilend gaf ze op. Ze manoeuvreerde naar de kant van het pad, wat nog best een klus was door het modderige weggetje, legde haar fiets neer, en ging zelf tegen een harde steen aanzitten. Ze verborg haar hoofd in haar knieën en wachtte, wachtte tot de storm wegtrok.
Kut. Had zij weer.
Het rommelde wat in de lucht, alsof er onweer aankwam. “Verdomme,” mompelde Charlotte terwijl ze haar haar, dat al nat werd door de regen, uit haar gezicht streek en flink doortrapte. Plots leek het alsof de hemel openbarstte. Haar kleren, haar haar, ze was volledig doorweekt. Een verzopen katje. Op een fiets. De donderslag die de aarde leek te doen trillen maakte haar aan het schrikken en ze begon spontaan te huilen.
Ze had geen flauw idee waar ze heen moest, maar ze was middenin een bos. Vol met bomen, die bij de eerste de beste inslag van de bliksem geraakt zouden worden. Oh, had ze maar aandacht besteed aan dat onheilspellende gevoel. Was ze maar nooit zomaar weggegaan. Was ze maar gewoon gebleven.
Haar evenwicht liet haar in de steek en ze viel met fiets en al om op het zandpad. “Au, shit. Help!” gilde ze, maar natuurlijk kon niemand haar horen met dit vreselijke weer.
De toppen van de bomen waaiden dreigend en gevaarlijk heen en weer en de eerste bliksemschicht stortte met een felle flits op aarde neer. Charlotte bracht zichzelf en de fiets vloekend overeind en liep met het rijwiel aan haar hand haastig verder. Ze moest onderdak zoeken.
“Niet negatief denken, Charlotte. Er is heus wel ergens een klein huisje hier, een klein schuurtje. Er is wel onderdak.” Vertelde ze zichzelf. Ze geloofde haar eigen woorden niet en keek angstig om haar heen. Niets. Ze stond stil en liet haar hand in haar jaszak glijden, op de tast naar haar telefoon, maar kon hem niet vinden. Ze ging de afgelopen ochtend bij langs. Wakker worden. Alle spullen nog in de hal. Jas aan. Telefoon nog op de tafel. Ze vloekte en verdoemde zichzelf, terwijl haar tranen zich vermengden met de regen en een keiharde donderslag haar weer bij haar zinnen bracht. “Onderdak, onderdak.” Dacht ze. “Ik moet onderdak vinden”
Weer een flits. De donder en bliksem volgden elkaar steeds sneller op en de regen leek op zijn hoogtepunt. Ze was tot op het bot doorweekt en bevroren. Huilend gaf ze op. Ze manoeuvreerde naar de kant van het pad, wat nog best een klus was door het modderige weggetje, legde haar fiets neer, en ging zelf tegen een harde steen aanzitten. Ze verborg haar hoofd in haar knieën en wachtte, wachtte tot de storm wegtrok.
Toen sloeg de bliksem in.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten