08-06-2011

3.2

Stuk 3.2, niet zo bijster goed.

            Toen haar ogen aan het licht waren gewend, keek ze goed om zich heen. Tuinspullen. Veel tuinspullen. Een klein kinderfietsje. Daar had ze niet zo veel aan, maar het kwam in de buurt. Een fiets was een fiets. Verder lag overal gereedschap, losse stukken resthout en een verzameling dozen vol met moertjes, spijkertjes en boutjes. 
            Aan de linkerkant van de schuur stonden tot Charlotte’s blijdschap twee fietsen. Een grote mannenfiets, en een kleine vrouwen. Het was wel duidelijk. Ze veegde het stof van het zadel en het stuur, ontweek een klein muisje dat langs haar voeten gleed, en reed het rijwiel naar buiten, waar ze het ding nader bestudeerde.
            Ze stapte op, reed een klein stukje, en stapte vervolgens weer af. Met een fiets die zo kraakte zou ze niet erg ver komen. Ze zette het ding tegen de muur aan en ging het huisje weer in. Op een van de planken rechts moest wel een potje van dat smeersel staan. Ze had geen idee welk goedje ze moest pakken en hoe dat überhaupt heette, maar ze dacht dat ieder potje met spul een wonder zou doen voor het gekraak van de ketting.
Een minuut of tien, handen vol vieze vlekken, en een leeg potje olie later was de ketting dusdanig gestopt met kraken, dat het weer als een normale fiets voldeed. Ze liet haar handen in het koude water van de waterton glijden, die ze had opgemerkt terwijl ze de fiets repareerde, en boende haar handen schoon. Liet het koude water tussen haar vingers doorglijden, en veegde haar handen af aan haar broek, donkere vlekken achterlatend.
            Ze stapte op en baande zich een weg door het hoog opgegroeide gras dat langs haar knieën streek en haar kietelde. Een rilling gleed over haar lichaam, mede door het gras, maar ook door de koude wind die plotseling door de lucht waaide. Ze keek omhoog en zag een aantal grote, donkere wolken die zich aan de hemel vormden, en op een of andere manier dreigend aanvoelden. Alsof er iets ging gebeuren. Een dikke onweersbui. “Wie weet,” dacht ze, “misschien slaat de bliksem in en word ik de volgende morgen wakker op een compleet andere plaats. Of in een compleet ander tijdperk.”
            Ze grijnsde in zichzelf. Soms was haar fantasie toch echt te groot. Ze had het nooit langer volgehouden bij dat fantasieloze tweederangskrantje. Goed dat ze ontslag had genomen.
Met het onheilspellende gevoel weggedrongen, en een grijns op haar gezicht fietste ze de oprijlaan op, weg. Tijd om het dorp te verkennen.

1 opmerking: