5.
Toen ze weer bij zinnen kwam was er alsof er niets was gebeurd. De zon scheen, de vogeltjes floten en het bos rook nog steeds zo fijn naar de lente. Alleen haar fiets, die dwars op het pad lag, haar met modder bedekte lichaam, en de steen waar ze nog steeds tegenaan zat verraadden dat het echt gestormd had. Voorzichtig kwam ze overeind, want ze wist niet of ze ergens pijn had. Ze voelde zich als verdoofd. Ze voelde helemaal niets.
Ze ging middenop het pad staan en keek rond. Het verschrikkelijke weer leek geen schade te hebben verricht aan het bos. Vreemd. Ze pakte haar fiets die half in de berm was gegleden en reed het pad op, recht vooruit. Fietsen durfde ze niet, ze bibberde nog teveel om zichzelf volledig op een ding met wielen voort te kunnen bewegen. Ze liep een stukje en kalmeerde. De zon had haar doorweekte kleren opgedroogd en het was aangenaam warm. Ze klopte de modder die ook droog was geworden door de zonnestralen van haar kleren af en schraapte de vieze vlekken van haar gezicht. Binnen enkele minuten waren de grootste vlekken van haar kleren af en was ze dusdanig gekalmeerd om haar tocht door te zetten per fiets.
Toen ze weer bij zinnen kwam was er alsof er niets was gebeurd. De zon scheen, de vogeltjes floten en het bos rook nog steeds zo fijn naar de lente. Alleen haar fiets, die dwars op het pad lag, haar met modder bedekte lichaam, en de steen waar ze nog steeds tegenaan zat verraadden dat het echt gestormd had. Voorzichtig kwam ze overeind, want ze wist niet of ze ergens pijn had. Ze voelde zich als verdoofd. Ze voelde helemaal niets.
Ze ging middenop het pad staan en keek rond. Het verschrikkelijke weer leek geen schade te hebben verricht aan het bos. Vreemd. Ze pakte haar fiets die half in de berm was gegleden en reed het pad op, recht vooruit. Fietsen durfde ze niet, ze bibberde nog teveel om zichzelf volledig op een ding met wielen voort te kunnen bewegen. Ze liep een stukje en kalmeerde. De zon had haar doorweekte kleren opgedroogd en het was aangenaam warm. Ze klopte de modder die ook droog was geworden door de zonnestralen van haar kleren af en schraapte de vieze vlekken van haar gezicht. Binnen enkele minuten waren de grootste vlekken van haar kleren af en was ze dusdanig gekalmeerd om haar tocht door te zetten per fiets.
Plots klonk er een luide stem achter zich. Een diepe, ietwat ruwe stem. Charlotte bracht de fiets tot stilstand en draaide zich om. Een man met rossig haar en bruine ogen greep haar blik. Of het wel goed met haar ging.
Hij droeg de meest vreemde kleren voor deze tijd. Een linnen overhemd met openstaande kraag, die ruimte liet voor een das die hij losjes om zijn nek had gewikkeld. Hij droeg een donkerblauwe broek die tot aan zijn knieën kwam, waarna deze verdween in donkere lederen laarzen. Hij had een zwarte jas over zijn arm gedrapeerd. Het was vreemd, maar hij had uit een boek kunnen komen. Alsof er een deur was naar het verleden waar hij doorheen was gegaan.
Verleden of niet, hij moest het bloedheet hebben in dat pak, want al was het pas begin mei, de temperaturen waren al flink opgelopen.
“Ehh…”, begon Charlotte aarzelend. Ze wist niet precies wat ze moest zeggen, en ze wist nog minder hoé ze dat ging zeggen. Want het was allemaal leuk en aardig, maar veel meer dan een brood bestellen kwam ze niet in het Frans.Hij droeg de meest vreemde kleren voor deze tijd. Een linnen overhemd met openstaande kraag, die ruimte liet voor een das die hij losjes om zijn nek had gewikkeld. Hij droeg een donkerblauwe broek die tot aan zijn knieën kwam, waarna deze verdween in donkere lederen laarzen. Hij had een zwarte jas over zijn arm gedrapeerd. Het was vreemd, maar hij had uit een boek kunnen komen. Alsof er een deur was naar het verleden waar hij doorheen was gegaan.
Verleden of niet, hij moest het bloedheet hebben in dat pak, want al was het pas begin mei, de temperaturen waren al flink opgelopen.
“Vergeef mij, mevrouw, dat ik uw tijd in beslag neem. Ik meen niet dat ik al eerder het plezier had u te mogen ontmoeten.” Zei de man. Charlotte slaakte een zucht van opluchting. Hij sprak gewoon Engels. Al mocht dat gewoon wel weggelaten worden, voegde ze er in gedachten aan toe. Bepaald gewoon sprak deze vreemdeling niet.
Ze stak haar rechterhand naar hem uit, nadat ze haar fiets op de stander had gezet. Hij staarde haar even vreemd aan, maar pakte daarna hem daarna aan, boog voorover en drukte een kus op haar hand, waarop zij weer vreemd reageerde.
“Charlotte Dupont.” Stelde ze zich voor. “Het kan kloppen dat u mij nog nooit gezien heeft. Ik woon hier net. Aan het eind van dit bospad, dat huis daar, weet u? Het was ooit van mijn overgrootouders. Ik heb het geërfd” ratelde ze. De jongeman keek haar op zijn beurt weer vreemd aan.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten