Verbaasd draaide Charlotte een rondje in de kamer en ging zitten op een stoel voor de open haard. De comfortabele banken en stoelen waren vervangen door anderen en er hingen schilderijen van landschappen en portretten van mannen en vrouwen die ze niet kende aan de muur.
“Madame,” hoorde ze in de gang. “Madame Dupont!” een gezette vrouw kwam de kamer binnen gerend. “We waren zo bezorgd om u” hijgde ze. “U vertrok vanochtend en u zei dat u vroeg terug zou zijn. We wisten ons geen raad, u kwam maar niet terug.” zei ze over haar toeren. “Claude, Louise en ik hebben ons zo ongerust gemaakt”
Charlotte stond op. “Ik raakte verdwaald (ze aarzelde even of ze moest vertellen over de storm) en ontmoette bij toeval Monsieur Frederick Beckett.” zei ze. “En hij bracht me naar zijn zus en haar gezin waar ik de dag heb gespendeerd.”
De vrouw glimlachte lichtjes. “Het doet me goed te horen dat u goed verzorgd bent. Maar had u de hulp niet kunnen sturen met een bericht?”
“Ze hebben maar een hulp. En met twee kinderen en zonder gouvernante kan Mrs Vernier de hulp niet sparen.” verklaarde Charlotte, waarop de vrouw knikte en verkondigde dat ze maar weer aan het werk ging.
Charlotte verliet de kamer ook en liep de keuken in. Het jonge meisje, Louise, vulde een kan met water. Ze schrok op en mompelde iets Frans toen ze Charlotte de keuken binnen zag lopen en morste met het water.
“Madame,” zei ze “ik was net thee aan het zetten. Wilt u dat ik ook iets voor u inschenk? Misschien ook wat eten?”
“Graag” antwoordde Charlotte met een half glimlachje. “Ik ben vrij uitgehongerd. Ik heb de hele weg van het huis van de Verniers naar hier gelopen.”
“Maar dat is drie mijl!” riep Louise vol verbazing uit. “Dat hele eind door het bos. Alleen!”
Ze pakte tegelijkertijd de theekan en hing die aan de haak boven de openhaard terwijl ze doorkwetterde over hoe vreemd en bijzonder ze het wel niet vond dat het Charlotte gelukt was om dat hele eind alleen te lopen, en helemaal niet merkte dat Charlotte de keuken alweer had verlaten en haar weg door het huis vervolgde.
“Madame,” hoorde ze in de gang. “Madame Dupont!” een gezette vrouw kwam de kamer binnen gerend. “We waren zo bezorgd om u” hijgde ze. “U vertrok vanochtend en u zei dat u vroeg terug zou zijn. We wisten ons geen raad, u kwam maar niet terug.” zei ze over haar toeren. “Claude, Louise en ik hebben ons zo ongerust gemaakt”
Charlotte stond op. “Ik raakte verdwaald (ze aarzelde even of ze moest vertellen over de storm) en ontmoette bij toeval Monsieur Frederick Beckett.” zei ze. “En hij bracht me naar zijn zus en haar gezin waar ik de dag heb gespendeerd.”
De vrouw glimlachte lichtjes. “Het doet me goed te horen dat u goed verzorgd bent. Maar had u de hulp niet kunnen sturen met een bericht?”
“Ze hebben maar een hulp. En met twee kinderen en zonder gouvernante kan Mrs Vernier de hulp niet sparen.” verklaarde Charlotte, waarop de vrouw knikte en verkondigde dat ze maar weer aan het werk ging.
Charlotte verliet de kamer ook en liep de keuken in. Het jonge meisje, Louise, vulde een kan met water. Ze schrok op en mompelde iets Frans toen ze Charlotte de keuken binnen zag lopen en morste met het water.
“Madame,” zei ze “ik was net thee aan het zetten. Wilt u dat ik ook iets voor u inschenk? Misschien ook wat eten?”
“Graag” antwoordde Charlotte met een half glimlachje. “Ik ben vrij uitgehongerd. Ik heb de hele weg van het huis van de Verniers naar hier gelopen.”
“Maar dat is drie mijl!” riep Louise vol verbazing uit. “Dat hele eind door het bos. Alleen!”
Ze pakte tegelijkertijd de theekan en hing die aan de haak boven de openhaard terwijl ze doorkwetterde over hoe vreemd en bijzonder ze het wel niet vond dat het Charlotte gelukt was om dat hele eind alleen te lopen, en helemaal niet merkte dat Charlotte de keuken alweer had verlaten en haar weg door het huis vervolgde.
Ze bewandelde de trap en vond in iedere kamer een warm knetterende openhaard. In een van de kamers waarin een groot bed stond ging ze even voor het raam staan en keek naar buiten, over de oprijlaan heen richting het bos. Het was al donker en alleen de maan gaf wat weer van het landgoed.
Het was zo onwerkelijk maar toch zo echt. Alles in haar schreeuwde dat dit soort dingen niet konden gebeuren. Dat het niet echt was. En tegelijk schreeuwde haar binnenste dat dit was wat ze altijd had gewild; het verleden.
Het was zo onwerkelijk maar toch zo echt. Alles in haar schreeuwde dat dit soort dingen niet konden gebeuren. Dat het niet echt was. En tegelijk schreeuwde haar binnenste dat dit was wat ze altijd had gewild; het verleden.
Met jurk en al ging ze bovenop het bed liggen. Ze nam niet eens de moeite het kleed over zich te slaan of haar kleren uit te trekken, en viel in een diepe, diepe slaap.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten